Spelregels

Pool

Spelregels 
8-Ball

De algemene spelregels zijn van toepassing, behalve als ze in tegenspraak zijn met de volgende spelregels, die een vertaling van de offciële spelregels van de WPA zijn.

1.1 Doel van het spel

8-Ball is een zogenaamd ‘call-spel’ dat gespeeld wordt met één witte stootbal en vijftien objectballen.

Één speler moet de ballen 1 tot en met 7 (de effen gekleurde ballen) potten, terwijl de andere speler de ballen 9 tot en met 15 (de gestreepte ballen) moet potten. Wanneer een speler alle objectballen van zijn eigen serie gepot heeft, mag hij proberen de 8-Ball te potten. De speler die daar als eerste in slaagt met een geldige stoot wint het spel.

1.2 Callen – Aankondigen

Voor de hand liggende ballen en pockets moeten niet aangekondigd worden. Als het voor de tegenspeler niet duidelijk is, heeft hij echter steeds het recht om te vragen welke bal en pocket gespeeld worden. Stoten via banden en combinatiestoten worden niet als voor de hand liggend beschouwd en moeten steeds aangekondigd te worden. Bij het aankondigen is het nooit nodig om eventueel te raken banden, combinaties te vermelden.

Ballen die gepot worden in een stoot waarin een foul gemaakt werd, blijven gepot ongeacht van welke speler ze zijn. (Let op bij van tafel gespeelde ballen! Zie ook regel 1.18) Bij de openingsstoot moet niet aangekondigd worden. Als de beginnende speler bij de break op geldige wijze een of meer objectballen pot, mag hij verder spelen.

1.3 De break

De objectballen worden in de vorm van een driehoek op de tafel gelegd met de topbal van de driehoek op het voetpunt. De 8-Ball is de middelste uit de rij van drie ballen. De beide buitenste ballen van de achterste rij zijn van een verschillende soort: de ene effen gekleurd, de andere gestreept.

1.4 Breaken door winnaar

De winnaar van de lag (zie Algemene regels 1.6) kiest of hij zelf breakt of de tegenspeler laat openen. Tijdens een wedstrijd breakt de speler die een game gewonnen heeft.

1.5 Jump- en Massé-fouls

Het is een foul als de stootbal bij een jump shot of massé shot een niet legale tussenliggende bal als eerste raakt.

1.6 Een correcte break

Om correct te breaken, moet de openende speler (met de stootbal vanaf achter de hoofdlijn) een of meerdere objectballen potten, of minstens vier objectballen een band laten raken. Slaagt hij er niet in correct te breaken, dan maakt hij een foul. De tegenspeler krijgt dan de keuze om de positie te aanvaarden en zelf verder spelen, of de ballen opnieuw te laten opleggen en te kiezen wie breakt: hijzelf of zijn tegenspeler.

1.7 De stootbal potten bij de break het zogenaamde “scratchen”

Als bij de break de stootbal wordt gepot, is het een foul en blijven alle gepotte ballen gepot (behalve de 8-bal, zie regel 1.9) en is de tafel open. De tegenspeler is dan aan beurt en krijgt de stootbal in de hand achter de hoofdlijn met alle bijhorende bepalingen (zie Algemene regels 1.10, 1.16, 1.39 en 1.40).

1.8 Objectballen van de tafel spelen bij de break

Als een speler bij de break een objectbal van tafel laat springen, dan is dat een foul. De tegenspeler heeft vervolgens de keuze om de positie te aanvaarden en zelf verder te spelen, of de stootbal in de hand achter de hoofdlijn te nemen.

1.9 De 8-bal potten bij de break

Wanneer bij de break de 8-bal wordt gepot, dan heeft de speler de keuze de objectballen opnieuw op te leggen (racken) en zelf opnieuw te breaken of om de 8-bal terug te leggen op de voetspot en verder te spelen. Als tegelijk met de 8-bal ook de stootbal gepot wordt, mag de tegenspeler kiezen de objectballen opnieuw te laten opleggen (racken) en breaken of om de 8-bal te laten respotten en verder te spelen met de stootbal in de hand achter de hoofdlijn.

1.10 De open tafel

De tafel is open zolang niet vaststaat welke speler met welke serie (effen of gestreepte objectballen) speelt. Bij een open tafel mag de speler als eerste een effen bal raken om een gestreepte bal te potten en vice versa. Na de break is de tafel steeds open. Bij een open tafel is het toegestaan een effen of gestreepte bal als eerste te raken om een bal te potten, maar is het echter de 8-bal die als eerste geraakt wordt dan is dat een foul. De speler verliest zijn beurt en krijgt de tegenspeler ball in hand. Alle gepotte objectballen blijven gepot en de tafel blijft open.

1.11 Keuze van de serie (effen of gestreepte objectballen)

De keuze van de serie (effen of gestreepte objectballen) gebeurt nooit bij de break, zelfs niet als daarin ballen gepot worden. Onmiddellijk na de break is de tafel altijd open (zie regel 1.10). De keuze staat vast vanaf de eerste geldig gepotte bal (zie regel 1.12).

1.12 De correcte stoot

Bij iedere stoot (behalve bij de break en bij een open tafel) moet de stootbal eerst een bal van de eigen serie raken. Daarna moet een objectbal gepot worden. Of anders moet de stootbal of een objectbal een band raken. Het is toegestaan de stootbal tegen een band te spelen voordat een objectbal geraakt wordt. Maar na het contact met de objectbal moet echter nog steeds een objectbal gepot worden of een bal tegen een band gespeeld worden. Gebeurt dit niet, dan maakt de speler een foul.

1.13 Safety shot spelen

Vanuit tactisch oogpunt kan een speler ervoor kiezen een eigen objectbal te potten en toch niet aan beurt te blijven. Hij kan dit doen door een safety aan te kondigen, een safety is een geldige stoot. Als een speler een safety wil spelen, moet hij dat vooraf aankondigen. Doet hij dat niet en pot hij één of meerdere ballen van zijn eigen serie, dan moet de speler zelf verder spelen. Alle ballen die bij een safety gepot worden, blijven gepot.

1.14 Het scoren

Een speler mag verder spelen tot hij er niet meer in slaagt om op correcte wijze een bal van zijn eigen serie te potten. Wanneer een speler alle ballen van zijn serie gepot heeft gaat hij spelen om de 8-bal te potten.

1.15 Straf voor een foul

Na een foul krijgt de tegenspeler de stootbal ball in hand over de hele tafel. Alleen bij fouls op de break krijgt hij de stootbal in hand achter de hoofdlijn. Deze regel voorkomt het maken van opzettelijke fouls met als doel de tegenspeler nadeel te bezorgen. Met de stootbal in hand mag een speler zijn hand of ieder deel van de keu (de pomerans inbegrepen) gebruiken om de stootbal te plaatsen. Bij die plaatsing telt iedere voorwaartse stootbeweging waarbij de stootbal geraakt wordt en die niet resulteert in een correcte stoot als een foul (zie ook Algemene regels, regel 24.40).

1.16 Combinatiestoten (“plants”)

Combinatiestoten zijn toegestaan. De 8-bal mag echter niet als eerste geraakt worden als de tafel niet meer open is en de speler nog ballen van zijn serie op tafel heeft liggen.

1.17 Ongeldig gepotte ballen

Een ongeldig gepotte bal is een bal die gepot wordt in een stoot waarin een foul gemaakt wordt, in een andere dan de aangekondigde (“callen”) pocket, of die niet aangekondigd is of in een safetystoot. Ongeldig gepotte ballen blijven gepot.

1.18 Objectballen van tafel spelen

Worden er objectballen van tafel gespeeld, dan is dat een foul en gaat de beurt over naar de tegenspeler. Is het de 8-bal die van de tafel gespeeld wordt, dan verliest men direct het spel.

1.19 Foul op de 8-bal

Maakt men bij het spelen op de 8-bal een foul maar wordt de 8-bal niet gepot of van tafel gespeeld, dan is dat een gewone foul en géén verlies van game. De tegenspeler krijgt de bal in hand. Speelt men de 8-bal weg tijdens een foul, dan resulteert dit in verlies van het spel (zie regel 1.20).

1.20 Verlies van het spel

Een speler verliest het spel in de volgende gevallen:

een foul maken bij het potten van de 8-bal (behalve bij de break, zie regel 25.9);

de 8-bal potten in dezelfde stoot als die waarin de laatste van zijn serie gepot wordt;

1.21 Doodlopend spel

Als na drie opeenvolgende beurten van iedere speler (in totaal zes beurten) met nog slechts twee objectballen en de 8-bal op tafel geen van beide spelers nog probeert om het spel te winnen, dan worden alle objectballen opnieuw opgelegd en breakt de openende speler van deze game opnieuw. Drie opeenvolgende fouls door dezelfde speler resulteren niet in verlies van het spel bij 8-Ball, bij 9-Ball verliest men dan wel! (zie Spelregels 9-Ball 1.12).

Spelregels
9-ball

 

Doel van het spel:

9-ball wordt gespeeld met de witte speelbal en de genummerde ballen van een tot en met negen. Bij elke stoot moet de speelbal als eerste de laagst genummerde bal op de tafel raken, doch de ballen moeten niet in volgorde gepot worden. Zolang hij op een geldige manier genummerde ballen pot en hij geen foul maakt of het spel wint door de 9-ball te potten, blijft een speler aan de beurt. Na een misser moet de aan tafel komende speler beginnen met de speelbal op de plaats waar hij ligt; werd er echter een foul gemaakt, dan krijgt hij de bal in de hand overal op de tafel. De stoten moeten niet aangekondigd worden.

De openingsconfiguratie

De ballen worden in een ruitvorm gelegd met de 1-ball op het voetpunt, en de 9-ball in het centrum van de ruit, die met de lange diagonaal op de lange lijn ligt. De overige ballen liggen willekeurig in de ruit waarbij ze elkaar moeten raken. Het spel begint met de speelbal in de hand achter de hoofdlijn.

De geldige openingsstoot

De regels voor de openingsstoot zijn dezelfde als voor alle andere stoten, met de volgende bijzonderheden: de openende speler moet niet enkel de 1-ball als eerste raken maar moet daarna tevens ofwel een of meerdere genummerde ballen potten ofwel minimaal vier genummerde ballen tegen een band spelen als de speelbal gepot of uit de tafel gespeeld wordt of als niet voldaan werd aan de hierboven genoemde vereisten, dan is dat een foul en krijgt de aan tafel komende speler de bal in de hand over de hele tafel als bij de openingsstoot een genummerde bal uit de tafel gespeeld word, dan is dat een foul en krijgt de aan tafel komende speler de bal in de hand op de hele tafel; de uit de tafel gespeelde bal wordt niet terug gespot, tenzij het de 9-ball is.

Verdere spelverloop

Op de stoot direct volgend op de openingsstoot mag een ‘push out’ gespeeld worden. Als de openende speler een of meerdere ballen pot, mag hij verder spelen tot hij mist, wint of een foul maakt. Als de speler mist of een foul maakt, speelt de tegenspeler op dezelfde voorwaarden verder.

De “push-out”

De speler die de eerste stoot na de openingsstoot – die geldig moet geweest zijn – speelt mag een ‘push out’ spelen om de speelbal in een betere positie te leggen voor het verdere spel. Bij een “push out” is het niet nodig de speelbal een genummerde bal of een band te laten raken; alle andere foulregels blijven evenwel gelden. Een “push out” dient vooraf aangekondigd te wordcn, zoniet zal de stoot als een gewone stoot beschouwd worden. Alle ballen die tijdens een ‘push out’ gepot worden, blijven gepot, uitgezonderd de 9-ball, die terug gespot wordt. Een ‘push out’ is een geldige stoot zolang er geen regels worden overtreden. Een ongeldige “push out” wordt overeenkomstig de overtreden regel bestraft.

Na een ‘push out’ mag de inkomende speler kiezen of hij de volgende stoot zelf speelt, of dat hij hem overlaat aan de speler van die de ‘push out’ gespeeld heeft. In beide gevallen zijn alle volgende stoten gewone stoten, die op een geldige wijze gespeeld dienen te worden. Als bij de openingsstoot de speelbal gepot werd, mag er geen “push out” gespeeld worden.

Fouls

Als een speler een foul maakt, dan stopt zijn beurt. Alle ballen die hij gepot heeft blijven weg, uitgezonderd de 9-ball die terug gespot wordt. De inkomende speler krijgt de bal in de hand op de hele tafel. Maakt een speler meerdere fouls in eén enkele stoot, dan worden die als slechts een foul gerekend.

Verkeerde bal raken

Als de eerst geraakte bal niet die met het laagste nummer is, dan is dat een foul.

Geen band raken

Als men na het aanspelen van de laagst genummerde bal op de tafei geen bal pot en er wordt geen band meer geraakt, dan maakt men een foul.

Ball in hand

Als een speler de bal in de hand krijg, dan mag hij die overal op de tafel leggen zonder evenwel een genummerde bal aan te raken. Hij mag de positie steeds verbeteren tot hij afstoot.

Ballen uit de tafel spelen

Een niet-gepotte bal wordt als uit de tafel gespeelde bal aangezien als hij stil komt te liggen op een anderc plaats dan op het speelvlak van de tafel. Een bal uit de tafel spelen betekent dat men een foul maakt; zulke ballen blijven weg, tenzij het om de 9-ball gaat.

Jump- en masserfouls

Het is een foul als de speelbal bij een poging tot jumpshot over of masseren of draaien rond een niet legale tussenliggende bal, die bal als eerste raakt.

3 opeenvolgende fouls

Als een speler drie opeenvolgende fouls begaat in drie opeenvolgende stoten (dus zonder dat hij intussen een geldige stoot maakt), dan verliest hij het spel. De drie fouls moeten alle drie in hetzelfde spel plaatsvinden. De speler moet tussen de tweede en de derde foul – op het moment dat hij de ‘derde’ maal aan de tafel komt – gewaarschuwd worden dat hij reeds twee opeenvolgende fouls gemaakt heeft. De beurt van een speler begint wanneer het voor hem toegelaten is een stoot uit te voeren en eindigt bij het cinde van de stoot (als hij mist, een foul begaat of het spel wint) of wanneer hij een foul maakt.

Einde van het spel

Een spel begint zodra de speelbal de hoofdlijn overschrijdt bij de openingsstoot. De 1-ball moet geldig geraakt worden bij de openingsstoot. Het spel eindigt bij de geldige stoot waarin de 9-ball gepot wordt of wanneer een speler een forfait heeft tengevolge een foul.

De ballen worden in een ruitvorm gelegd met de 1-ball op het voetpunt, en de 9-ball in het centrum van de ruit, die met de lange diagonaal op de lange lijn ligt. De overige ballen liggen willekeurig in de ruit waarbij ze elkaar moeten raken. Het spel begint met de speelbal in de hand achter de hoofdlijn.

de 8-bal van tafel spelen;

de 8-bal potten in een andere dan de aangekondigde pocket;

de 8-bal potten wanneer er nog objectballen van de eigen serie op tafel liggen.

Snooker

De ballen worden voor de start van het spel volgens een bepaald patroon op de tafel geplaatst (zie hieronder). Er zijn een witte bal (de cueball), vijftien rode ballen (elk met een waarde van 1 punt) en zes ballen met een andere kleur en elk een eigen waarde, over het algemeen de gekleurde ballen genoemd. Deze gekleurde ballen hebben elk een vaste plek (spot) op de tafel. De spelers stoten de witte bal en moeten zo steeds proberen een rode bal weg te spelen; als hen dit lukt, mogen ze op een kleur naar keuze spelen. Wordt die ook gepot, dan wordt hij teruggelegd en mag de speler weer een rode bal spelen. Als de kleur niet wordt gepot of als de speler een fout maakt, gaat de beurt weer naar de tegenstander, die weer met een rode bal moet beginnen. Als alle rode ballen weggespeeld zijn, worden de gekleurde ballen weggespeeld in de volgorde van hun waarde, maar nu worden ze niet meer teruggelegd.

Snooker | Bal-enzo Billiards & Darts

Spelverloop

De zwarte bal wordt ongeveer 32 cm boven de onderste band (top cushion) geplaatst op de laagste spot. De blauwe spot bevindt zich precies op het midden van de tafel. De spot waarop de roze bal gelegd wordt, bevindt zich tussen de blauwe spot en de top cushion.

De vijftien rode ballen worden door middel van een hulpstuk in een driehoek tegen elkaar aangelegd, en worden zonder de roze bal te raken zo dicht mogelijk onder die bal gelegd. In de praktijk plaatst de scheidsrechter meestal eerst de rode ballen en legt hij als laatste de roze bal op zijn spot.

Aan de bovenkant van de tafel bevindt zich een dwarslijn (baulk line) met daarop een halve cirkel (de D). Vanaf de onderkant van de tafel gezien wordt links op de kruising tussen de lijn en de halve cirkel de gele bal gelegd, rechts de groene, en in het midden de bruine.

De witte bal (de cueball) mag door de startspeler op een willekeurige plaats in de halve cirkel worden geplaatst. Met deze cueball moeten de ballen in een bepaalde volgorde in de pockets worden gespeeld. Een speler moet telkens eerst een rode bal potten. Slaagt hij hierin, dan moet hij een gekleurde bal spelen, die hij alvorens te spelen benoemt (het zogenaamde ‘callen’). In de praktijk gebeurt dit alleen als het niet meteen duidelijk is op welke bal hij gaat spelen. Wordt ook de gekleurde bal gepot, dan wordt deze teruggelegd op zijn plaats (zijn eigen spot) en moet de speler weer op een rode bal spelen. De rode ballen blijven liggen in de pockets en worden dus niet teruggeplaatst op de tafel, ook als ze foutief gepot zijn of van de tafel gesprongen. Voor elke gepotte bal krijgt de speler de waarde van de bal (zie hieronder) op het scorebord.

Het aantal punten dat een speler achtereenvolgens maakt (dus zonder een bal te missen), wordt een break genoemd. Wanneer een break beëindigd is (door een bal niet te potten of een fout te maken), is het de beurt aan de tegenstander, die ook weer met een rode bal moet beginnen. Dit gaat zo door, tot de laatste rode bal gepot is. De speler mag dan voor de laatste keer een kleur kiezen waarop hij gaat spelen. Pot hij die, dan wordt de bal teruggelegd en mag hij doorgaan, zo niet is de tegenstander aan de beurt. Nu worden alle gekleurde ballen in volgorde van hun waarde weggespeeld.

De volgorde is (waarde tussen haakjes) geel (2) – groen (3) – bruin (4) – blauw (5) – roze (6) – zwart (7).

De speler die na het potten van de laatste bal de meeste punten heeft, heeft het frame (een enkel spelletje) gewonnen. De tegenspeler kan ook vroeger opgeven als het puntenverschil te groot geworden is en hij zijn tegenstander moeilijk nog tot fouten kan dwingen. Een frame is beëindigd wanneer of alle ballen gepot zijn, of enkel zwart nog op tafel is, het puntenverschil groter is dan zeven punten en de speler die op dat moment mag spelen verkiest niet verder te spelen, of een fout gemaakt wordt met enkel zwart nog op tafel, of wanneer de scheidsrechter iemand een frame toewijst op grond van een andere regel.

Een wedstrijd bestaat uit een vooraf vastgesteld aantal frames. De wedstrijd wordt beëindigd als één van de spelers het merendeel van de frames weet te winnen. Wanneer een wedstrijd wordt gespeeld over 19 frames (best of 19), betekent dit dat de wedstrijd beëindigd is wanneer één van de spelers 10 frames heeft gewonnen. Grote wedstrijden worden vaak gespreid over meerdere sessies van bijvoorbeeld 8 frames.

Bijzonderheden

  • De bal waarop gespeeld wordt (een rode bal of een gekleurde bal die men gecalled heeft), noemt men de ball-on. De speler moet deze ball-on als eerste bal raken met de cueball, zo niet volgen er strafpunten. Als de ball-on niet rechtstreeks geraakt kan worden, meestal doordat een andere bal in de weg ligt, dan spreekt men van een snooker.
  • Het komt ook sporadisch voor dat, als de cueball op de rand van een pocket ligt, de rand van de band verhindert dat de cueball de ball-on in een rechte lijn raakt. In dat geval zegt men dat de cueball angled is.
  • Het potten van twee of zelfs meer rode ballen in een beurt is toegestaan – de speler krijgt dan per extra rode bal een extra punt.
  • Wanneer de spot van een gekleurde bal bezet is, wordt deze op de beschikbare spot gelegd met de hoogste waarde. Zijn alle spots bezet, dan moet de bal zo dicht mogelijk tegen zijn eigen spot aan geplaatst worden, op de lijn in het midden van de tafel, zo dicht mogelijk bij de top cushion. Als verschillende gekleurde ballen teruggelegd moeten worden, dan heeft de bal met de hoogste waarde voorrang.
  • Als er een fout gemaakt wordt terwijl enkel nog de zwarte bal op tafel ligt, is het frame voorbij. De tegenstander krijgt zeven strafpunten, de eindstand bepaalt wie het frame wint.
  • Bij een gelijke stand aan het eind van een frame wordt, om te beslissen wie het frame wint, de zwarte bal teruggelegd (re-spotted black), en de cueball ergens naar keuze in de D gelegd. Door middel van kop of munt wordt bepaald wie aan de beurt is; die speler mag kiezen of hij zelf speelt of zijn tegenstander laat spelen. Wie het eerst de zwarte bal binnenspeelt, heeft het frame gewonnen. Bij een fout (de cueball binnenspelen of de zwarte niet raken) wint de tegenstander.

Fouten

  • De cueball wegspelen (in een pocket of zelfs van de tafel) of die over een bal laten ‘springen’, als die bal voor een snooker zorgt (in de weg ligt dus). Een weggespeelde cueball wordt door de tegenspeler ergens naar keuze in de D gelegd. Hij mag van daaruit naar elke kant van de tafel spelen.
  • Geen bal of als eerste een verkeerde bal raken
  • De verkeerde bal potten
  • Een andere bal dan de cueball aanraken, of de cueball met iets anders dan de pomerans van de keu aanraken
  • Het gelijktijdig in aanraking zijn van pomerans, cueball en de ball-on. Er mag dus niet ‘doorgestoot’ worden wanneer de cueball en de ball-on erg dicht bij elkaar liggen. Raken ze elkaar, dan wordt er touching ball aangegeven en moet de speler van de bal wegspelen. Hierbij mag hij ook geen bal raken, of een bal die niet on is.
  • Niet met minstens één voet de grond raken bij het uitvoeren van een stoot
  • Spelen terwijl nog niet alle ballen op tafel liggen (bijvoorbeeld als een gekleurde bal nog niet teruggelegd is) of als nog niet alle ballen tot stilstand gekomen zijn

Fouten worden bestraft met strafpunten; deze worden niet afgetrokken van het puntenaantal van de speler, maar aan de tegenspeler gegeven. Het aantal strafpunten is altijd de waarde van de waardevolste bal betrokken bij de fout (de ball-on, een bal die onterecht gepot of als eerste geraakt is, …), maar altijd minstens 4 punten.

Op een rode bal spelen maar niets raken levert dus 4 strafpunten op; wordt de zwarte bal geraakt in plaats van een andere bal, dan levert dit 7 strafpunten op.

Als er verschillende fouten in een beurt gemaakt worden, dan telt de fout die de meeste strafpunten oplevert.

Bij een fout vervallen ook eventuele punten die al gemaakt zijn bij een stoot. Als een rode bal bijvoorbeeld correct gepot wordt maar de cueball ook binnenrolt, krijgt de speler geen punten, enkel strafpunten. De punten die in eerdere beurten van de break gemaakt zijn, vervallen uiteraard niet. Heeft de speler bijvoorbeeld al 10 punten gemaakt in zijn break en maakt hij bij de volgende stoot een fout, dan krijgt hij de 10 punten en zijn tegenstander de strafpunten van de fout.

Na de fout is de tegenspeler aan de beurt, maar hij kan zijn beurt doorgeven aan de speler die de fout gemaakt heeft. In dat geval moet hij ‘opnieuw’ spelen, maar de ballen worden niet teruggelegd op de plaats waar ze lagen voor de fout. In de praktijk wordt dit enkel gedaan als er geen goede kans ontstaan is voor de tegenspeler na een fout. Een eventuele free ball (zie hieronder) vervalt als de beurt doorgegeven wordt.

Free ball

Als de bal na een fout van de speler zo komt te liggen dat de term snooker van toepassing is (de ball-on kan niet aan beide kanten rechtstreeks geraakt worden doordat er een of meer andere ballen tussen liggen), dan wordt een free ball toegekend. De tegenspeler mag dan elke andere bal ‘nomineren’ als ball-on. Deze bal heeft dan ook de waarde van de ball-on, ongeacht de waarde die de bal normaal heeft. Als de uitgekozen bal een gekleurde bal is, wordt deze teruggeplaatst nadat deze gepot is.

Als de free ball toegekend wordt voor een rode bal (als de speler normaal dus moest spelen op een rode bal), dan mag de speler op een gekleurde bal spelen als hij de free ball binnengespeeld heeft, ook wanneer een gekleurde ball als free ball werd uitgekozen.